10
24-4-2022
De staat is een centraal begrip in ons denken, een begrip dat iedereen even
vanzelfsprekend hanteert alsof iedereen ook kan uitleggen wat dat is. En is dat
zo?
Is de staat het parlement, is het de administratie, d.w.z. de departementen. Is
het het geheel van de overheid, en dan inclusief alle geprivatiseerde en
afgescheiden organisaties?? Of is het nog iets anders?? Wat is eigenlijk de
staat?
Historisch gesproken is het ontstaan van de overheid die wij kennen goed traceerbaar. De uitvoerende en beleidsmatige taken van elke macht in de gemeenschap en over de gemeenschap bestond altijd al. Altijd moest de macht beslissen wat er aan werken voor de gemeenschap moesten gebeuren, en vaak voerde ze die ook zelf uit. De taak van het executief beheer is van alle tijden. Dat geldt eigenlijk ook voor de taak van de wetshandhaving. Want i.t.t. wat wij leren waren oude wetten overeenkomsten tussen leden van volken die ook werden vastgelegd. De eerste gegraveerde wetstafels uit babylon en daarvoor al bestaande volken legden vast welke gedragsregels moesten gehandhaafd worden en het was aan de vorsten om uitvoering te geven aan die volksbesluiten.
De wetshandhaving , inclusief het houden van de heerser aan de afspraken met het volk is de basis voor wat wij ‘de overheid’ noemen. Wetsbepaling, wetshandhaviong en beheer van de samenleving vormen daarmee de kerntaken van wat de staat is, en vormen daarmee in organisatorische zin wel wat wij een staat noemen.
Maar is dat ook haar idee. Is de staat alleen dat, een neutraal systeem van
bestaansregulering? Is uitvoeringsorganisatie van de volkswil spelen ook echt
de idee van de staat? Er is heel wat discussie geweest over die vraag. Onder
de Grieken bestond lange tijd de optie dat de staat allereerst de gezamelijke
wil van het volk was, hoe irrationeel en stupide dat volk ook kon wezen, zoals
de meeste griekse denkers wel onderkenden. De staat was voor hen niks
anders dan de uitdrukking van de volkswil.
Er wordt wel beweerd dat dat in de middeleeuwen niet meer het geval zou
zijn. De overheid lijkt daar samen te vallen met de feodaliteit, maar dat is deels
toch alleen maar schijn. In een theocratische samenleving is de staat de
belichaming van god op aarde, de overheid is gods representant, en dus als zodanig door het volk gewild. Buiten italie werd de feodale samenleving echt wel door het volk gedragen en dat werd zo natuurlijk bevonden dat zelfs nederlandse protestantse opstandelingen eigenlijk niet van hun koning durfden af te zien. De feodaliteit net zomin als de monarchie ontdeden de overheid van de volksinstemming; die bleef noodzaak, zoals machiavelli zijn vorst ook duidelijk maakte.
Rousseau was degene die europa eraan herinnerde dat elke macht eigenlijk een kwestie was van afgesproken macht. Die macht kwam niet van God, die kwam van het volk omdat het volk die macht wilde geven. Voor wat Rousseau betreft stond ze de macht wel weer af aan de staat en moest ze daar ook niet meer over sputteren. En dat was omdat Rousseau bepaald geen optimistisch beeld had van zijn nobele wilde, waarvan hij de agressie doorzag. Opstand was een immer loerend gevaar en bepaald geen gewoon recht van de burger voor hem.
Het was een wezenlijk onderscheid dat hiermee werd aangedragen. Ja, elke staat hing voor zijn voortbestaan af van de instemming van het volk, maar het volk kon maar beter van de directe macht worden afgehouden.
Waarom was dat? Hobbes , gekweld door de gruwelen van de burgeroorlogen in zijn vaderland zag de staat als de enige mogelijkheid om het volk tegen zichzelf te beschermen. En hij vond die bescherming noodzakelijk vanwege de inherente gewelddadigheid van het onontkoombare menselijke conflict. Hobbes desavoueerde het volkszelfbestuur omdat de mens een conflictueus wezen is. De staat moet het geweld monopoliseren, d.w.z. het conflict monopoliseren , om de mens te beschermen tegen zichzelf. Daarmee kwam er een nieuwe taak voor de overheid: naast beleid maken, uitvoeren en handhaven moest ook het geweld in de samenleving beheerst worden. Begrippen als ‘openbare orde’ en ‘staatssouvereiniteit’ voegden een nieuwe dimensie aan de staat toe. Maar het was nog altijd een functioneel begrepen idee van de staat: dat waren haar taken.
Met fichte, Hegel en Carl Schmitt, keerde dit begrip in zichzelf om. De idee van de staat die bij de discussie rondom deze heren opkwam was dat de staat met haar geweldsbeheersende taak de uiterste idee van het volk zelf zou kunnen vormen: zij zet immers alle individuele agressie om in een gecombineerde en totale agressiviteit. De staat als bundeling van de volkswil, als de belichaming daarvan, is ook tegelijk de uitvoerder van haar geweldswil. In de staat komt het volk, de mens , pas echt tot zichzelf.
Als je terugkijkt op deze ontwikkeling lijkt dat als het ware contingente geschiedenis. Je zou kunnen denken dat de ontwikkeling van de idee van de staat ook anders had kunnen lopen. En er is ook enige aanleiding dat te kunnen denken. Terugblikkend naar die allereerste ontwikkeling van de idee van wetten, die stenen tafels van het midden-oosten, moet je je realiseren dat daar niet zomaar gedragsregels werden geschreven. Men legde het gedrag vast omdat de geschreven regels leken te beantwoorden aan de orde van de dingen, aan de logos van het bestaan. Dat is ook de manier waarop de joden wetgeving begrepen: de orde van het bestaan vastleggen, ook al ontleenden ze de conceptualisering (via Philo) aan eerdere griekse conceptualisering. De staat staat voor de orde, de staat behoedt de logos. De staat is weliswaar geen logos als organisatie, maar zij belichaamt die wel als idee . Dat is dan wel een veel vreedzamere conceptie. Die logos (overigens in de bijbelse literatuur ook vaak gebruikt als term voor de ‘verlosser ‘jezus) vertegenwoordigt de idee dat de mens in een natuurlijke orde is opgenomen, en dat het bestaan in die orde is wat uitgevoerd en gehandhaafd moet worden. De staat als lijfelijke aanwezigheid van de logos (zoals Spinoza haar begreep) is een staat die diametraal staat tegenover die van Hobbes en Schmitt.
Misschien moeten we , in die gedachte van de staat als belichaming van de logos, dan ook aanvaarden dat de mens in die logos ook past als het natuurlijke roofdier.: een zekere gewelddadigheid is een essentieel onderdeel van zijn bestaanskwaliteit. Als de staat de logos beheert, dan ook die menselijke agressie. Alleen is dat een agressie binnen de samenleving, niet namens de samenleving en niet als samenleving.
Het discours van de Hobbes-Schmitt discussie ontkent de potentie van de aanvaarding van de logos door de mens. De mens als beheerder van zijn bestaan heeft de staat nodig, maar dan om de logos, de orde van het bestaan te hoeden, niet om die te vernietigen.
Reacties
Een reactie posten